Categorieën
Promoklip

Van lab naar lijn: mechanismen om overheidsbeleid en diensten mensgericht te ontwerpen

We willen graag dat overheidsdiensten aansluiten bij wat mensen in hun eigen context nodig hebben. Dat is de laatste jaren geen punt van discussie meer. Hoe je dit moet doen, wel.

Overheidsorganisaties zijn niet ingericht om de ervaringen van burgers centraal te stellen bij het maken van beleid en bijbehorende diensten. Dit maakt dat ze behoorlijk moeten veranderen en de meeste uitvoeringsorganisaties in Nederland zijn dan ook bezig met allerlei trajecten om een betere publieke dienstverlener te worden.

Als promovendus bij de TU Delft onderzoek ik hoe nationale publieke dienstverleners diensten kunnen maken die goed zijn voor mensen. Deze maand kwamen de eerste resultaten van mijn onderzoek uit op DRS, een internationale design conferentie. Daar presenteerde ik een aantal mechanismen die helpen om mensgericht ontwerpen te verankeren bij het maken van beleid en diensten.

Edinburgh – behind the scenes: zo stond ik zelf dan in het zaaltje.

Je kunt het hele paper hier downloaden. In dit blog een samenvatting van de resultaten en een paar aanbevelingen wat we hier in de praktijk mee kunnen bij de overheid.

Mijn onderzoek volgen en geen blog missen? Abonneer je op mijn maandelijkse nieuwsbrief.

Echt mensgerichte oplossingen sterven vaak in schoonheid

In dit deelonderzoek van mijn PhD keek ik hoe principes en activiteiten van mensgericht ontwerpen belemmerd of juist versterkt worden bij het maken en uitvoeren van publiek beleid en diensten. Ik gebruikte hiervoor de ISO standaard mensgericht ontwerpen. Eerder schreef ik al blogs wat deze 6 principes inhouden. Je leest ze hier alle 6.

In de theorie over mensgericht ontwerpen bij de overheid weten we dat ondanks goede pogingen het lastig blijft om deze principes echt goed te verankeren. Dit heeft bijvoorbeeld te maken met politieke mandaten, een risicomijdende cultuur, top-down structuren voor samenwerking, burgerparticipatie die vaak symbolisch blijft en een gebrek aan resources, kennis en kunde. Daarom komen initiatieven waarbij echt mensgericht ontworpen wordt vaak niet uit tijdelijke pilot fases en “sterven ze in schoonheid”, zoals een van de participanten uit mijn onderzoek theatraal opmerkte.

Hoe het wel kan, onderzocht ik 2,5 jaar lang als actieonderzoeker in de praktijk bij het programma Clustering Rijksincasso. Hier werken 8 landelijke dienstverleners samen aan betere dienstverlening voor mensen met schulden. Ze maken bijvoorbeeld een digitaal overzicht van betaalachterstanden en bieden een gezamenlijke betalingsregeling aan. Hoe en waarom ik deze casus koos, lees je in deze blog.

1 overheid – 1 dienstverlening – 1 overheidsincasso – 1 mok

Uit alle helpende en hinderende factoren die ik vond (het waren er opgeteld over de 100) identificeerde ik een aantal mechanismen. In een mechanisme werken helpende of hinderende factoren op elkaar in om iets voor elkaar te krijgen of juist niet. In het artikel ga ik ze allemaal uit-ge-breid langs, hier vat ik ze kort samen.

Maak het normaal om gebruiksonderzoek te doen

Ja, mega open deur.

Dit is gewoon de basis. Als je geen gebruiksonderzoek doet of het blijft bij symbolische participatie, dan weet je gewoon niet wat mensen nodig hebben. En dan kun je daar ook niet mee aan de slag.

Doe je af en toe gebruiksonderzoek, dat is al beter, maar dan kun je daar nog steeds niet echt op handelen. Pas als je het normaal maakt om gestructureerd en regelmatig, als vast onderdeel van je werkritme, feedback van burgers op je ideeën, beslissingen en maaksels te krijgen, kun je er echt wat mee.

En wat dan cool is: het helpt je enorm om discussies te slechten. In sommige deelprojecten zag ik dat discussies heel abstract bleven en soms weken rond bleven gaan. Burgeronderzoek werd uitgesteld, want “we moeten eerst zelf op 1 lijn zitten”. Maar wanneer gebruiksonderzoek een vast onderdeel was, bleek dit juist een gids in discussies en maakte het besluiten nemen veel makkelijker en sneller.

Hetzelfde geldt voor het betrekken van alle rollen die je nodig hebt om multi-disciplinair te kunnen werken. Het team werkte samen met veel verschillende organisaties die allemaal een eigen werkcultuur meenamen. Dit bleek enorm uitdagend en lukte door bewust te bouwen aan stabiliteit en continu de gezamenlijke missie in de gaten te houden. Hoe ze dit deden schreef ik al eerder in de blog Stille ontwerpers en fluïde teamgrenzen.

Maak ruimte om te handelen

Gebruikersinzichten kunnen nog zo duidelijk zijn: je moet ook mandaat hebben om er iets mee te doen. Helemaal als je niet alleen kleine aanpassingen wilt doen, maar ook ingrijpende zaken in beleid en systemen wilt veranderen.

Bij CRI zag ik dat mandaat niet gegeven is maar je kunt het wel actief organiseren. Door goed inzicht te hebben in wat burgers nodig hebben (gebruiksonderzoek!), kon het team dit koppelen aan concrete mogelijkheden in de uitvoering en maakten ze een zogenaamde maatschappelijke businesscase. Bijvoorbeeld door het CBS te vragen onderzoek te doen naar overlap in schulden. Vervolgens brachten ze dit in bij beleidsdepartementen en samen met hen in de politieke besluitvorming voor een opdracht om dit aan te pakken.

Een nadeel van dit mechanisme is dat je dit mandaat continu moet verlengen. In mijn onderzoeksperiode zijn er 2x verkiezingen geweest, wat dit dus enorm arbeidsintensief maakt. Er is dus meer nodig.

Creëer ‘feiten op de grond’

Ik zag dat kleine, tastbare stappen vaak meer beweging maakten dan grote uitgewerkte plannen. Bijvoorbeeld, een eerste versie van een dienst voor een kleine groep mensen die als eerste geholpen kunnen worden. Iets dat al werkt, al is het nog klein, waar de organisaties vervolgens ook weer van konden leren.

Dat soort stappen creëren “feiten op de grond”, zoals een participant dat noemde. “Wij laten zien dit is echt, en het gebeurt al. Je kunt ook meedoen.” Collega’s en bestuurders kunnen zien dat het niet alleen een idee is, maar dat het al gebeurt. Kleine stappen zijn ook makkelijker om te implementeren in de dagelijkse operatie. En zodra iets eenmaal ‘in de lijn’ zit, wordt het ook moeilijker om weer terug te draaien.

Tegelijk werkte dit niet alleen operationeel. Met brieven aan de staatssecretarissen voor besluiten en naar de Tweede Kamer waarin werd vastgelegd wat er ging gebeuren, ontstonden er ook politieke feiten. Doordat er in de praktijk al iets stond, werd het makkelijker om politieke steun te organiseren. En met de politieke feiten kregen de operationele stappen weer vernieuwd mandaat en gingen medewerkers in organisaties zich daarnaar verhouden.

Die twee dynamieken versterken elkaar. Je maakt iets kleins in de praktijk, waardoor het serieuzer wordt in beleid en politiek. En doordat het politiek wordt vastgelegd, krijgt de praktijk weer meer ruimte om door te gaan.

Bouw leermomenten standaard in het proces

De laatste beweging is van project naar systeem. Want één goede dienst of één goed experiment is nog geen mensgerichte overheid.

Daarvoor moeten gebruikersinzichten structureel leiden tot aanpassingen in beleid, wetgeving, financiering en verantwoordelijkheden. In het onderzoek zag ik bijvoorbeeld hoe vaste terugkerende momenten voor beleidsupdates er ook voor zorgden dat gebruiksinzichten logisch meegenomen konden worden. Het ontwrichtende effect dat gebruiksonderzoek vaak kan hebben “waarom kom je daar nu mee, het is toch al af” en ik ook beschreef in mijn eerste artikel beschreef, zag ik daarom veel minder terug.

Een extra voordeel van deze terugkerende beleidsmomenten is dat het tijdelijke mandaat dat je eerder moeizaam verkregen hebt hier omgezet kan worden in vast beleid (en daarmee vast mandaat om het op die manier te doen).

Een belangrijk principe van mensgericht ontwerpen is dat je uitgaat van de hele ervaring van de gebruiker. Dat vraagt dat organisaties verder kijken dan hun eigen stukje van de keten. Mensen ervaren geen losse loketten, wetten of uitvoeringsorganisaties. Ze ervaren één overheid. Juist daarom moet mensgericht ontwerpen soms niet beginnen bij één dienst, maar bij de totale ervaring van burgers door het systeem heen. Deze gedachte was de premise van CRI maar maakt ook hun uitdaging groots en soms overweldigend.

Zoals een van de participanten zei: “Vanuit het perspectief van de burger was het onvermijdelijk om alle grote uitvoerders hierbij te betrekken. Dat maakt de scope enorm, maar het is ook de enige logische stap.”

Om het gefragmenteerde schuldenlandschap aan te pakken en als 1 overheid op te treden, combineerden ze meervoudig opdrachtgeversschap op beleidsdepartementen met integraal inzicht in de problematiek bijvoorbeeld met behulp van het CBS dashboard dat elke 2 jaar een nieuwe update uitbrengt. Een belangrijk concept in de literatuur over service design is orkestratie. Je moet het zien als een dirigent die een orkest helpt een mooi stuk te produceren. Deels is de uitdaging zo groot dat “het van niemand is” en toch kun je daar als dirigent een coherente ervaring van maken.

Een versterkende dynamiek

De zes mechanismen vormen samen een versterkende cyclus. Gebruikersbetrokkenheid maakt behoeften zichtbaar. Dit helpt mandaat verkrijgen dat handelen mogelijk maakt. Multidisciplinaire samenwerking vertaalt inzichten naar uitvoerbare oplossingen. Feiten op de grond geven die oplossingen bewijs en momentum. Beleidsvensters zorgen dat leren uit de praktijk terugvloeit naar beleid. En door het systeem rond de ervaring van de burger te organiseren, kunnen deze stappen over meerdere organisaties heen worden opgeschaald.

Die samenhang maakt de aanpak krachtig, maar ook kwetsbaar. Als één mechanisme wegvalt, verliest mensgericht ontwerpen snel tractie. Dat geldt zeker in een keten met meerdere organisaties: wanneer één partij niet meebeweegt, kan dat de gezamenlijke voortgang vertragen en de hele ervaring van de burger raken.

Aanbevelingen

Wat betekent dit voor overheidsorganisaties die mensgerichter willen werken?

Ten eerste: investeer bewust in de mechanismen zodat ze met elkaar als versterkende cyclus kunnen werken. Normaliseer gebruiksonderzoek in een vast ritme. Organiseer mandaat om op de uitkomsten te lopen. Neem kleine stappen en creëer feiten op de grond. Bouw actief aan multi-disciplinaire samenwerking en plan terugkerende beleidsupdates in om de lijn stap voor stap aan te kunnen passen. En: schaal op naar de werkelijke missie, organiseer de overheid vanuit de hele ervaring van de burger. Maak vanuit dat perspectief je keuzes.

En als tweede, werk zoveel mogelijk in de lijn. Vaak hoor ik bij grote veranderopgaves “de lijn moet rust krijgen”. In mijn onderzoek zag ik dat echte verandering juist in de lijn gebeurt én daar het beste beklijft. Labs en pilots zijn nodig om te leren, te verkennen en anders te kijken. Maar de lijn is nodig om veranderingen te verankeren in beleid, systemen, budgetten en verantwoordelijkheden. Het lab helpt om anders te denken maar de lijn bepaalt of burgers er iets van merken.

In het schuldendomein zie je inmiddels dat deze manier van werken resultaat kan hebben. De CRI-aanpak was erop gericht om escalatie naar zwaardere incassotrajecten te voorkomen en minder losse schuldentrajecten naast elkaar te laten ontstaan. Eerste rapportages van de Algemene Rekenkamer en de jaarlijkse monitoring van SZW laten zien dat het programma begint bij te dragen aan betere coördinatie en meer samenhang in de rijksincasso.

Dat is precies waar het uiteindelijk om gaat. Niet mensgericht ontwerpen als doel, maar als middel om diensten te maken die goed zijn voor mensen.

Verder lezen?

Wil je meer weten over het onderzoek achter deze blog? Lees dan het paper waarop deze blog is gebaseerd: From lab to line: mechanisms for anchoring human-centred design in public policy and service development.

Deze blog bouwt voort op mijn eerdere artikel More than the process, waarin ik onderzocht waarom het gewone ontwerpproces niet genoeg is in de context van overheidsdienstverlening. De toegankelijke samenvatting daarvan lees je in mijn eerdere blog: Het proces vertrouwen is niet genoeg.

Wie meer wil weten over de ontwerpprincipes achter mensgericht ontwerpen kan kijken naar de ISO-standaard voor Human-Centred Design, ISO 9241-210. Daarin staan onder andere gebruikersbetrokkenheid, iteratief werken en begrip van de gebruikscontext centraal. Over alle principes schreef ik al eerder een serie blogs.

Categorieën
Geen onderdeel van een categorie Promoklip

Public design moet verambtelijken

Vorige week was ik in Edinburgh bij de Design Research Society conferentie. DRS is de grootste internationale conferentie in het wetenschappelijke designveld. En dit keer was er de hele week ook een speciale track voor public design, mijn topic.

Ik was er zelf om mijn paper te presenteren over human-centred design bij de overheid. Maar ik ging ook naar een heleboel andere presentaties en ik vond het superleuk om te zien wat anderen deden.

Binnen no-time vorm je een blokje met andere PhD’s en onderzoekers waar je na de presentaties ook mee gaat eten. Meestal zit ik in m’n eentje achter m’n bureau te werken en krijg ik niet zo mee waar andere PhD’s aan werken. Nu waren er onderzoekers van Erasmus, Eindhoven, de VU en natuurlijk een hele sloot uit Delft.

In deze blog een korte impressie van wat ik uit de presentaties haalde.

Mijn onderzoek volgen en geen blog missen? Abonneer je op mijn maandelijkse nieuwsbrief.

Public design zoekt legitimiteit

Tijdens zo’n conferentie worden ontzettend veel papers gepresenteerd, dus je gaat al snel op zoek naar wat jij precies interessant vindt. Mijn eigen onderzoek gaat over hoe mensgericht ontwerpen verankerd kan worden in de overheid als werkwijze om diensten te maken die goed zijn voor mensen.

Daar ging ook het artikel over dat ik zelf presenteerde: From lab to line: mechanisms for anchoring human-centred design in public policy and service development. Ik schrijf binnenkort nog een lekker leesbare samenvatting op dit blog. Kun je niet wachten: je download hem hier.

Al snel merkte ik een trend op in wat ik uit de andere presentaties haalde. Ze gingen eigenlijk allemaal over dezelfde vraag: hoe wordt design legitiem in de publieke sector?

Dus: wie mag hier eigenlijk ontwerpen, namens wie, op basis waarvan, en hoe verhoudt dat zich tot beleid, politiek, instituties en democratische besluitvorming?

De overheid werkt met publieke waarden, politieke keuzes, wetten, uitvoeringsorganisaties met eigen systemen, verantwoordingslijnen en mensen die niet altijd kunnen kiezen of ze een dienst wel of niet willen gebruiken. Dat maakt public design interessant, maar ook ingewikkeld.

Waar het de laatste jaren vaak ging over de verschillen tussen design en de ambtenarij, en over hoe we ambtenaren meer designerly kunnen laten werken, ging het nu ook over iets anders: hoe design zelf moet veranderen om in de publieke sector te passen.

Edinburgh – behind the scenes: de onbedwingbare neiging om bij een berg in het vizier direct naar boven te willen.

Niet nog een ontwerp in de la

Geert Brinkman en Elke Wennekers van Erasmus Rotterdam presenteerden een paper met de geweldige titel: Not another design that ends up in a drawer. Hun paper gaat over hoe ontwerpers legitimiteit proberen te krijgen voor de uitkomsten van hun werk. Dus niet alleen voor de ontwerpaanpak zelf, maar voor wat daaruit komt: een voorstel, interventie, nieuw proces of nieuw beeld van het probleem. Zij vonden verschillende mechanismen waarmee ontwerpers dat doen. Bijvoorbeeld door iets voorstelbaar te maken of door aan te sluiten bij taal en waarden die mensen in de organisatie al kennen.

Ontwerpers denken soms dat de kwaliteit van hun inzichten vanzelf genoeg is. “Kijk dan, dit is wat burgers meemaken.” Maar in een publieke organisatie moet zo’n inzicht ergens landen. Bij een manager. In een beleidsproces. In een besluitvormingslijn. In een begroting. In een team dat het straks moet uitvoeren.

Een goed ontwerp is dus niet automatisch een legitiem ontwerp. Je moet kunnen uitleggen waarom dit ontwerp past bij de taak van de organisatie, bij de wet, bij de politieke opdracht en bij de mensen die ermee moeten werken.

Design door beleidsogen bekijken

Nog een paper van hen, samen met Jotte de Koning en Arwin van Buuren, ging over hoe je juist beleidsmodellen kunt toepassen op design. Dat vond ik een interessante draai. Vaak doen we het andersom. Dan proberen we beleidsmakers uit te leggen wat design is. Dan komen we met designerly ways of knowing, double diamonds, reframing, co-creatie, iteratie, abductie en prototypes. Met dit soort woorden voel je ook vaak de afstand ontstaan. Het wordt al snel: wij designers komen uitleggen hoe de publieke sector moet veranderen.

Elke vertelde dat beleidsmaken zelf ook een vorm van ontwerpen is. Je probeert een bestaande situatie te veranderen in een gewenste situatie. Je weegt waarden. Je bedenkt instrumenten. Je probeert gedrag, organisaties en systemen te beïnvloeden. Je werkt met onzekerheid. Je maakt keuzes zonder dat je alles zeker weet.

In het paper gebruiken ze bestuurskundige perspectieven om naar systemic design te kijken: rationeel, politiek, cultureel en institutioneel. Daardoor wordt zichtbaar waarom design soms schuurt in beleidscontexten. Iets moet bijvoorbeeld onderbouwd en verantwoordbaar zijn, passen bij belangen en macht, betekenisvol zijn voor betrokken groepen én landen in routines, regels en bestaande manieren van werken.

Edinburgh – behind the scenes: gelukt!

’s Avonds hadden we het bij het eten ook over silent design: ontwerp dat gebeurt zonder dat iemand het design noemt. Dat zie ik in mijn eigen praktijk ook veel. Beleidsmakers, uitvoerders en juristen ontwerpen voortdurend. Ze maken regelingen, formulieren, werkprocessen, uitzonderingen, overlegstructuren, loketten, brieven en dashboards. Alleen noemen ze dat meestal geen design.

Ik schreef hier eerder al de blog Stille ontwerpers en fluïde teamgrenzen over hoe ik dit silent design in mijn casus terug zie.

Kortom: soms moeten ontwerpers niet harder uitleggen wat design is, maar beter leren begrijpen wat beleid is.

Wat draagt design dan eigenlijk bij?

Amy Hyewon Lee uit de UK presenteerde een paper over hoe je de bijdrage van design aan policymaking kunt begrijpen. Dat is een belangrijke vraag, want design wordt steeds vaker ingezet in beleidscontexten, maar het blijft lastig om precies aan te tonen wat het oplevert.

Dat herken ik ook. Je kunt soms wel aanwijzen dat een ontwerpaanpak iets heeft veranderd, maar het is bijna nooit zo simpel als: door deze ene workshop is dit beleid beter geworden. Zo werkt beleid niet. En design trouwens ook niet.

Beleid maken is rommelig. Er zijn meerdere invloeden tegelijk. Politieke timing. Media-aandacht. Budget. Wetgeving. Organisaties die wel of niet meebewegen. Mensen die vertrekken. Mensen die blijven duwen. Een onderzoek dat ineens goed uitkomt. Een prototype dat opeens een gesprek kantelt.

Amy maakt daarom het onderscheid tussen attributie en contributie belangrijk. Niet: design heeft dit veroorzaakt. Maar: waar en hoe heeft design bijgedragen?

Dat is een veel betere vraag. Het haalt design weg uit de sfeer van “leuke methode erbij” en plaatst het midden in de vraag hoe beleid zich ontwikkelt. Design is dan een manier om kennis, samenwerking, samenhang en verandering te organiseren.

Public design moet publieker worden

Ook in andere presentaties kwam dit terug. Saskia Pouwels uit Eindhoven liet bijvoorbeeld (in een prachtig geanimeerde presentatie) zien hoe burgerparticipatie vast kan lopen op projectlogica: er is een planning, deadline en moment waarop “de input” opgehaald moet zijn, terwijl mensen, gemeenschappen en democratische processen niet altijd op projecttijd werken. Mijn eigen paper ging juist over hoe human-centred design kan landen in de gewone lijn van overheidsorganisaties, voorbij innovatielabs en tijdelijke projecten.

Edinburgh – behind the scenes: zo stond ik zelf dan in het zaaltje.

In Edinburgh merkte ik daardoor dat public design aan het opschuiven is. Designmethoden en een designerly aanpak blijven relevant, maar het gesprek wordt groter. Het gaat steeds minder alleen over hoe je design kunt doen in de publieke sector, en meer over hoe design zich moet verhouden tot legitimiteit, beleid, macht en democratische processen. Dat vind ik cool.

Want als ontwerpers in de publieke sector serieus genomen willen worden, moeten we niet alleen laten zien dat we empathisch, creatief en iteratief kunnen werken. We moeten ook begrijpen waar publieke organisaties op gebouwd zijn. Waarom rechtmatigheid ertoe doet. Waarom politieke keuzes soms al gemaakt zijn. Waarom de uitvoering niet zomaar kan afwijken. Waarom verantwoording nodig is. En waarom “de gebruiker centraal” niet automatisch hetzelfde is als publieke waarde.

Dus misschien is de volgende stap voor public design niet dat de publieke sector beter leert praten als ontwerpers, maar dat ontwerpers verambtelijken, zoals we dat zo mooi noemen bij de overheid.

Categorieën
Promoklip

Van gevolgen gaswinning naar voorkomen van schulden, tips voor de nieuwe minister van sociale zaken

Het is grappig als je met een bewindspersoon meereist van dossier naar dossier. In dit geval heb ik het over Hans Vijlbrief, dé stas van ‘Groningen’ en nu de nieuwe minister van Sociale Zaken. Het is extra leuk wanneer zo’n bewindspersoon zelf aangeeft dat zijn denkbeelden veranderd zijn, en hij die nieuwe manier van denken en werken meeneemt naar andere dossiers, en jij op die denkwijze net aan het promoveren bent.

Wil je mijn onderzoek volgen, abonneer je dan op mijn maandelijkse nieuwsbrief.

5 jaar geleden werkte ik voor de Nationale Ombudsman en onderzocht ik de gevolgen van de gaswinning. Ons advies aan het kabinet was toen om een aparte bewindspersoon aan te wijzen om de problemen in Groningen aan te pakken. Dat werd Vijlbrief.

Al direct vanaf het begin besloot hij om elke maand spreekuur te houden in Groningen. Op het ministerie vonden ze dit maar een gek en onveilig idee, schrijft hij in zijn boek over die tijd. Toch zette hij door, en in de maanden die volgden, sprak hij veel mensen die zelf te maken hebben met schade aan en versterking van hun huis.

Na mijn afscheid bij de Ombudsman deed ik vrijwilligerswerk bij het Groninger Gasberaad. Hier zag ik zelf hoe deze gesprekken vertrouwen opwekten in Groningen. Beleidsideeën kon Vijlbrief zo in een pril stadium aftasten bij mensen die er zelf mee te maken zouden krijgen.

Luisteren naar de zachte stem

In die tijd schoof ik zelf naar het schuldendomein, ik begon eind 2022 met mijn promotieonderzoek. Als case study liep ik vervolgens 2,5 jaar mee met het samenwerkingsverband Clustering Rijksincasso (CRI), sinds deze week in Vijlbrief’s portefeuille. Bij CRI onderzocht ik hoe de overheid beleid en diensten mensgericht kan ontwerpen: gebruikers betrekken, de context waarin gebruik plaatsvindt goed begrijpen, iteratief oplossingen bedenken, en die ook weer testen met de mensen die het gaan gebruiken. Je leest het al: daar zit overlap met wat Vijlbrief in Groningen uitprobeerde.

Vijlbrief schrijft in zijn boek over zijn motto luisteren naar de zachte stem, dat hij “als mens en politicus veranderd is door Groningen” en dat “die les een bredere toepassing heeft”. Amen, brother. In mijn onderzoek zie ik hoe je luisteren naar mensen als basis voor beleid en overheidsdiensten dé manier van werken bij de overheid kunt maken.

Daarom voor hem, en alle nieuwe ministers en staatssecretarissen, 5 inzichten uit mijn onderzoek voor een vliegende start van de komende kabinetsperiode.

Eerst: wat is mensgericht ontwerpen?

Mensgericht ontwerpen is een manier van werken waarbij je iets maakt vanuit het perspectief van de mensen die het gebruiken. Hun ervaringen, behoeften en context zijn niet het eindpunt maar juist het vertrekpunt bij beslissingen.

Het betekent dat je niet alleen kijkt of een dienst juridisch klopt of technisch werkt, maar onderzoekt hoe beleid in het dagelijks leven uitpakt. Je maakt aannames expliciet, betrekt gebruikers vroeg en herhaaldelijk, verkent spanningen tussen regels en realiteit, en past oplossingen iteratief aan op basis van wat je leert.

 

Mensgericht ontwerpen, in theorie

In mijn onderzoek gebruik ik de ISO-standaard mensgericht ontwerpen. Deze geeft 6 principes die ik eerder op dit blog al uitgebreid deelde met voorbeelden uit mijn onderzoek:

Hoe ik onderzocht

Bij CRI werkte ik 2,5 jaar als actieonderzoeker mee met verschillende teams die diensten maakten voor burgers met betaalachterstanden zoals Mijn Betaaloverzicht en de Betalingsregeling Rijk. Ik volgde hoe zij feedback uit de praktijk ophaalden, dit gebruikten om innings- en incassodiensten aan te pakken en samenwerkingen met andere organisaties in de keten opzetten. Hoe ze erachter kwamen dat ze nieuw mandaat, financiering en beleid nodig hadden. Dus volgde ik als onderzoeker hen vanuit de uitvoering naar beleid, dook samen met hen in de politieke communicatie en interviewde zelfs een kamerlid.

Ik mocht overal meekijken en hield een uitgebreid dagboek bij. Het onderzoek was (en is nog steeds) te volgen via mijn maandelijkse nieuwsbrief waar ik transparant op elke stap reflecteerde.

Dan de impliciete vraag die Vijlbrief zichzelf stelde in zijn boek: hoe kunnen zijn Groningse lessen een bredere toepassing krijgen? Of, zoals ik het in mijn proefschrift wil formuleren: hoe kun je mensgericht ontwerpen in een complex politiek-bestuurlijk systeem?

1. Maak het normaal om gebruikers te betrekken

Op het ministerie vonden ze het in eerste instantie een heel onverstandig idee dat Vijlbrief in Groningen spreekuur wilde houden. Kun je de veiligheid wel garanderen? Wat als je door te luisteren en dingen te laten zien verwachtingen creëert bij mensen? Bij de overheid vinden we het heel spannend om zomaar met mensen in gesprek te gaan. Ik ben er zelf als gebruiksonderzoeker voor mijn PhD ook heel vaak tegenaan gelopen.

Maar als we niet met mensen praten, hebben we geen idee wat ze nodig hebben, en kunnen we ook niet iets maken wat daarbij aansluit.

In mijn onderzoek zag ik dat het bij het team van Mijn Betaaloverzicht wel normaal was om elke 3 weken in gesprek te gaan met potentiële gebruikers en hun feedback open te publiceren. Mijn Betaaloverzicht is een digitale applicatie waar burgers in 1 overzicht hun betaalachterstanden kunnen zien en komt in 2026 voor een eerste groep gebruikers beschikbaar. Het testen met echte mensen is onderdeel van een vast werkritme en maakt het vanzelfsprekend om beslissingen te baseren op gebruikersinzichten.

Om dit normaal te maken, kun je als minister 2 dingen doen.

  • Praat zelf met de doelgroep en vraag je medewerkers feedback actief op te halen en aan je door te geven. Als de minister erom vraagt, dan gaat iedereen immers rennen.
  • Geef opdracht en ruimte om processen aan te passen zodat het niet bij incidentele feedback blijft. Daar meer over, bij het derde punt.

2. Regel mandaat voor gebruikswensen

Weten wat mensen nodig hebben is belangrijk, maar dat betekent nog niet dat je mag lopen op die kennis. Hiervoor hebben uitvoeringsorganisaties mandaat nodig. En dat mandaat kan een bewindspersoon als geen ander regelen.

Je hebt je mensen al naar de praktijk gestuurd, nu moet wat zij daar leren ook politiek landen. Bundel de inzichten, onderbouw het met data en breng het vervolgens zelf in het politieke gesprek: in de ministerraad, in de Kamerbrief, in het debat. Geef uitvoerders daarna een formele opdracht (en geld) om op basis van die inzichten te handelen.

Een voorbeeld: toen ze bij het CJIB steeds vaker voor andere organisaties incassotrajecten uitvoerden, zagen ze dat sommige burgers overlap hadden in schulden. Iemand kon zowel een achterstand bij de zorgverzekering hebben als wel een verkeersboete of een achterstand op de studieschuld. Deze overlap kon ervoor zorgen dat mensen steeds meer achterliepen.

Om hier beter inzicht in te krijgen vroeg het CJIB aan het CBS om met data van uitvoerders in kaart te brengen hoe groot dit probleem is, wat resulteerde in dit dashboard. Door de overlap zo inzichtelijk te maken, kon de minister destijds het onderwerp op de agenda zetten en kon een politieke opdracht om dit probleem aan te pakken niet uitblijven. Dat kwam mooi uit, want het CJIB, DUO en CAK stonden eigenlijk al klaar met een 1e versie voor een gezamenlijke betalingsregeling waar ze mandaat voor nodig hadden om aan burgers aan te bieden.

3. Zet kleine stappen

Iteratief werken is noodzaak als je wilt dat beleid en diensten aansluiten bij de leefwereld van gebruikers. Je weet pas als iets werkt als je het test, en door te testen ontdek je vaak dingen die je toch anders moet doen. Iteratief werken is daarmee ook onzeker. Je weet van te voren niet hoe iets is als het af is. Je zet een eerste kleine stap, en gaat direct erna weer bijsturen. Wat als je al in een kamerbrief A zei, en nu blijkt na een testronde dat B toch beter is? Deze onzekerheid maakt het voor veel bestuurders lastig om ‘op te sturen’.

Het werkt goed als je vooraf afspreekt dat die onzekerheid er mag zijn en het niet in 1 keer af hoeft. In mijn onderzoek zag ik dat vooral bij projecten met beleidsaanpassingen, de voortgang stokte in lange afstemrondes. Om het tempo erin te houden, had het team voor de gezamenlijke betalingsregeling op gegeven moment een vast jaarlijks moment ingepland voor beleidsupdates. Hierdoor kon er elk jaar een stap gezet worden, ontstond er ruimte om gebruiksinzichten structureel mee te nemen en werd de regeling elk jaar uitgebreid voor steeds meer organisaties en burgers.

Vraag niet om grote big bang momenten. Omarm het proces van kleine stappen. Sterker nog: doe actief mee en ga ook politiek iteratief werken.

Ik zag namelijk dat kleine, tastbare resultaten meer effect hadden dan lange plannen. Kleine stappen waren makkelijker ‘in de lijn’ te brengen, gaven ruimte om in de praktijk te testen en maakten de volgende stap logisch, want: dit is nu hoe we het doen. Hetzelfde mechanisme werkte ook politiek: door brieven aan de Stas of de Kamer werden operationele stappen ook politieke feiten.

Dit is leren door te doen. Door elke stap te koppelen aan wat in de praktijk aantoonbaar werkt, vernieuw je steeds het mandaat. Kamerleden kunnen niet zien wat er binnen de overheid gebeurt, maar wel wat er bij mensen thuis landt. Als een kleine stap genomen is, kun je erop voortbouwen, zoals wat er gebeurde bij de uitbreiding van MijnBetaaloverzicht naar meer overheden door de motie Kat/Kathmann. Een volgende stap die het team kan oppakken.

4. Beslis vanuit de héle beleving van de burger

In Groningen bestond het dossier uit een bestuurlijke spaghetti van 2 ministeries, meerdere uitvoeringsorganisaties, nationaal en lokaal bestuur, en allerlei andere partijen die in en om het onderwerp heen kronkelden. Voor mensen met schulden is het niet anders. Er zijn nu soms meerdere overheidsorganisaties met elkaar aan het concurreren om schuld te innen bij dezelfde persoon. Dit maakt vaak de problemen voor mensen alleen maar groter, zag ik toen ik een dag meeliep met een deurwaarder.

Voor het programma Clustering Rijksincasso is het doel om als schuldeisers deze spaghetti terug te brengen tot 1 heldere relatie tussen burger en overheid. De burger is 1 persoon en heeft 1 portemonnee.

1 overheid – 1 dienstverlening – 1 overheidsincasso

Om de versnippering te doorbreken moeten we ontwerpen vanuit de hele ervaring van de gebruiker. Dit betekent samenwerking over wetgeving, geldstromen en verantwoordingslijnen heen. Instrumenten zoals het CBS-dashboard helpen om het gezamenlijke probleem zichtbaar te maken en bestuurders rond één beeld te verenigen. Maar hoe groter de schaal, hoe zwaarder de coördinatie en het politieke onderhoud dat nodig is om samenhang vast te houden.

Neem de hele beleving van burgers als uitgangspunt en beslis dus over domeinen heen. Kies organisatiestructuren die als dirigent dit ontwerpproces kunnen orchestreren.

Dat Vijlbrief ‘losse’ beleidsdossiers zoals bestaansrecht, koopkracht, armoede en schulden naar zich toe heeft getrokken, vind ik alvast veelbelovend.

5. Positioneer verandering direct in de lijn

Vaak plaatsen we nieuwe manieren van werken in aparte trajecten zodat de lijn afgeschermd blijft. Bij de overheid kunnen we ons het techbro-motto ‘go fast and break things’ niet veroorloven. Daarom is vaak de kramp om innovatie en verandering eerst helemaal veilig af te hebben voordat we het implementeren.

In mijn onderzoek zag ik dat het goed werkt wanneer je het combineert. Veilige lab-settings geven ruimte voor verkenning, het betrekken van burgers en om nieuwe ideeën op te doen. Maar deze lab-setting moet niet te veilig en afgeschermd zijn, want dan komt het niet bij de burger. Daarvoor moet je zo dicht mogelijk op de lijn werken: om resultaten vast te leggen in beleid, systemen en (politieke) verantwoordelijkheid. En zodat burgers daadwerkelijk een nieuwe regeling kunnen aanvragen of bijvoorbeeld op hun telefoon hun betaaloverzicht kunnen zien.

Mensgericht ontwerpen vraagt om innovatieve settings die niet te veilig zijn en beleid-uitvoeringslijnen die niet te star zijn. Creëer ruimte om te leren ín de lijn om verandering in kleine stappen te realiseren.

Verder lezen?

Deze zomer verschijnt de 1e van 2 wetenschappelijke artikelen over Clustering Rijksincasso als casus, waarin ik onder andere bovenstaande inzichten uitgebreid deel. Wil je die in je mail (samen met de toegankelijke samenvatting) zodra hij uit is, abonneer je dan op mijn nieuwsbrief.

Andere leestips:

  • Hans Vijlbrief (2024). De Groningers hadden altijd gelijk, Uitgeverij Prometheus.
  • Het proces vertrouwen is niet genoeg. Samenvatting van mijn eerste artikel van mijn PhD over 8 jaar overheidsdiensten maken in de praktijk. Denk: leenstelsel voor studenten, de CoronaMelder-app en hoe ambtenaren begripvolle keuzes maken.
Categorieën
Promoklip

Wat diensten aan waarde toevoegen

Wanneer is een dienst waardevol? Bijvoorbeeld, als iemand een toeslag kan aanvragen, wijzigen of stopzetten zonder vast te lopen, dan doen we het goed. De juiste knop vinden. De aanvraag afronden. Geld op de rekening. Waardevol, toch?

In gesprekken met oud-studenten toen ik bij DUO werkte, merkte ik soms iets geks. Mensen wilden het niet alleen over hun studieschuld hebben en hoe ze dat konden regelen in het portaal, maar ook over hun hypotheek en of ze ‘later’ wel een huis konden kopen. Mijn reflex was toen: begrijpelijk, maar daar gaan wij niet over. Dat is niet onze dienst.

Nu doe ik wetenschappelijk onderzoek naar hoe je waardevolle overheidsdiensten maakt. Ik kijk er nu anders naar. Een tijd geleden deed ik onder de lezers van mijn nieuwsbrief een vragenrondje. Ik vroeg hen om mij te vertellen over één recente dienst die zij hadden gebruikt en wat die hen opleverde. In hun antwoorden zie je heel goed allerlei lagen van waarde die diensten opleveren (of juist afbreken).

Wil je mijn onderzoek volgen, abonneer je dan op mijn maandelijkse nieuwsbrief.

Een stapel waarde

“Ik wisselde onlangs van zorgverzekering. Ik wilde besparen en vond een die goedkoper was. Het oversluiten ging heel simpel, alles was duidelijk. Met het geld dat ik overhou, kan ik nu leuke dingen doen en ik ben toch goed verzekerd, mocht er iets gebeuren.”

Je ziet: deze dienst werkt op meerdere lagen door. Het oversluiten zelf was positief. En de effecten waren positief: meer geld overhouden én goed verzekerd zijn.

Maar zo gaat het niet altijd. Een dienst kan in het hier en nu voor jou waarde opleveren, maar schade aan de samenleving kosten. En andersom: sommige diensten zijn lastig, maar zó belangrijk dat mensen zich er toch doorheen worstelen, zodat ze er alsnog waarde mee kunnen creëren voor zichzelf. (Wel jammer dat we ze dat aandoen maar goed.)

Verschillende lagen

Ik gebruik in mijn PhD onderzoek meer aspecten, maar voor deze blog ligt ik er een aantal uit met wat voorbeelden.

1. Hoe je het ervaart

Was het een goede ervaring of juist niet? Kon je je doel bereiken waarvoor je de dienst gebruikte? Wanneer je je door een formulier heen geworsteld hebt, heb je misschien functioneel je taakje afgevinkt, maar je bent ook flink geïrriteerd.

“Ik moest alsnog contact opnemen met de gemeente. Dit online formulier voelde als een onnodige omweg omdat een mens me dit waarschijnlijk binnen 5 minuten had kunnen vertellen.”

Samen met gebruikers online schermen testen.

Deze eerste laag is de directe interactie tussen organisatie en dienstgebruiker. Wanneer dit niet lekker gaat, beïnvloedt het direct je beeld van die organisatie. Dit is meestal de standaard UX (user experience) waar we ons bij de overheid op focussen en waar je als ontwerper ook de meest directe invloed op hebt.

2. Wat je ermee kunt in je leven

Kijk, uiteindelijk gaat het om de toepassing van een dienst in je leven. Niemand bestelt een nieuwe wasmachine om er naar te kijken. Nee, je wilt schone kleren!

“Ik deed mee aan het bevolkingsonderzoek voor borstkanker. Kreeg een uitnodiging per post met een informatiefolder, maakte digitaal een afspraak in de buurt. Na de afspraak kreeg ik de resultaten schriftelijk. Het ging me natuurlijk om het voorkomen dat ik borstkanker krijg.

In de wetenschap wordt deze laag ook wel de waarde-in-gebruik genoemd. En gebruik is hier dan niet het gebruiken van een portaal of loket, maar het gebruiken van de dienst in je leven. De kinderopvangtoeslag gebruiken om te kunnen werken, met studiefinanciering je collegegeld of kamer betalen, of niet alleen de vergunning aanvragen, maar met een kop koffie in de hand uit het raam van je nieuwe dakkapel kijken.

Dit is de laag waar de overheid echt moet leveren. Super fijn als je website gebruiksvriendelijk is, maar uiteindelijk gaat het erom dat je het waarmaakt.

3. Wat je leert voor de toekomst

Met sommige diensten leer je wat handigheid voor de volgende keer. Je eigen capaciteit om later nog een keer, zeg je belastingaangifte, te doen wordt groter. Je weet nu hoe het werkt. Bij diensten die je maar 1x gebruikt, die ene keer in de 10 jaar dat je een vergunning voor een dakkapel aanvraagt, is dit niet per se nodig.

Maar denk aan jongeren die bij DUO (stufi) of de RDW (rijbewijs) hun eerste ervaring met een overheidsloket hebben en hier leren hoe dat contact met de overheid eigenlijk werkt.

Collega’s van DUO reflecteren op de verbinding die zij met studenten hebben.

4. Wat het doet voor de mensen om je heen

Jij bent misschien de degene die alles geregeld heeft, en de dienst daadwerkelijk gebruikt. Wat het oplevert, is meestal niet alleen voor jezelf. Vaak zijn financiële tegemoetkomingen die je van de overheid kunt krijgen, voor je hele huishouden relevant. Of andersom: als je dochter een betalingsregeling kan afsluiten voor een schuld, geeft je dat als ouder ook rust.

“Mijn schoonvader is overleden, dit moest ik aangeven. Het ging gelukkig gemakkelijk, ondanks dat hij in het buitenland was toen het gebeurde. Dit scheelde veel gedoe voor onze hele familie in een nare periode.”

Tijdens de overstroming vorig jaar is in Valkenburg een kade ingestort en nu tijdelijk gerepareerd door het Waterschap. Het pand rechts staat leeg, de gevel hangt nog altijd gevaarlijk naar beneden.

De waarde die een dienst kan opleveren kan ook je buren helpen, de hele straat of wijk of een andere groep waar je bijhoort. Denk de afhandeling van de overstromingen in Limburg in 2021, waar ik eerder over schreef. Hier zijn meerdere straten waar haast op elk adres iemand allerlei formulieren zit in te vullen of aan de tel hangt met instanties. Met elkaar hebben ze iets beleeft, en de ervaring met overheidsdiensten van de een (en de uitkomsten!) beïnvloedt de ervaring van de ander.

5. Wat het bijdraagt aan de samenleving

Dit laatste is het veel beleidsambtenaren natuurlijk om te doen. Hier wordt in het parlement en lokale raadszalen over gedebatteerd. Hoe willen we zijn als maatschappij?

“Ik ging bloed prikken om te weten of ik morgen weer een chemokuur mag. Waarde voor de maatschappij… Oei, die vind ik lastig. Ik kost de maatschappij een hoop geld, met dit behandeltraject. Maar het geeft wel een grotere kans dat ik weer beter word en hopelijk nog vele jaren nuttige dingen kan doen in die maatschappij?”

En zo is het precies, toegang tot medische behandelingen en een gezonde bevolking is natuurlijk one-on-one maatschappelijke waarde!

Verbonden lagen

Deze lagen staan uiteraard niet los van elkaar. Toegankelijk onderwijs vraagt dat jongeren hun school kunnen betalen, en dus bijvoorbeeld individueel studiefinanciering kunnen aanvragen. En elke jongere die naar school gaat, is er weer een die opgeteld met de rest leidt tot een samenleving waar talenten ingezet worden.

Maar de moeilijke vraag is wel: hoe ontwerp je voor al die lagen? Beleid gaat meestal over de groep en de grotere doelen voor de samenleving. En het ontwerpen van interacties zoals loketten en formulieren doe je meestal door te testen met “de gebruiker”.

Hoe zorg je ervoor dat wat we bedenken dat “goed is voor mensen” ook daadwerkelijk gemaakt wordt en ook in de praktijk goed blijkt voor mensen? Zowel het individu als de groep?

En dat brengt me bij twee vragen:

  • Over welke lagen van waarde gaat jouw werk eigenlijk?
  • En tot hoever vind jij dat jouw invloed en verantwoordelijkheid reikt?

Meer lezen?

  • Ik verkende dit waarde-concept al eerder in de blog: De waarde zit in de klas.
  • Dit artikel beschrijft een aantal van de waarde dimensies die ik in mijn onderzoek gebruikt: Osborne, S. P., Nasi, G., & Powell, M. (2021). Beyond co‐production: Value creation and public services. Public administration99(4), 641-657.
  • Een eerste handreiking voor hoe je voor die hele ervaring en dus verschillende lagen van waarde kunt ontwerpen, schreef ik in de blog: Uitgaan van de hele ervaring van je doelgroep.
Categorieën
Promoklip

Recap 2025

Ik schrijf inmiddels elk jaar een terugblik in December, en nu al 3 jaar op een rij gaat die over mijn PhD-onderzoek naar overheidsdiensten die goed zijn voor mensen.

Wil je mijn onderzoek volgen, abonneer je dan op mijn maandelijkse nieuwsbrief.

Ik heb niet eerder zo’n lang onderzoek gedaan, en ik denk dat we de blog over 2025 redelijk goed kunnen samenvatten met deze meme. Maar, spoiler, dit jaar eindigt wel heel positief!

Leuke meme
Leuke meme

De naïviteit er inmiddels wel af is. Een PhD doen is zwaar. Mentaal, inhoudelijk, soms ook fysiek. Maar dit jaar is er ook iets veranderd, gelukkig. Ik ben minder aan het zoeken en meer aan het kiezen. Ik wil niet meer alles doen, ik wil vooral afmaken nu.

Start van het jaar

2025 begon met het opruimen van een mentale en analytische kater uit het najaar van 2024. Ik zat vast in mijn data-analyse. Niet omdat ik te weinig data had, integendeel, maar omdat ik het overzicht kwijt was. Te veel codes, te veel lagen, te veel dingen die wel interessant waren maar nog niet hielpen om scherpe conclusies te trekken. Ik had geen idee hoe ik verder moest en de moed zonk me in de schoenen bij het idee dat ik die enorme berg data opnieuw door moest.

In het nieuwe jaar begon ik met een nieuw codeerschema. Niet meer alleen datagedreven, maar ook met inzichten en kaders uit de literatuur. Ik deed dit direct voor de twee artikelen die ik over de praktijk wilde schrijven. Voor het ene gebruikte ik de ISO-standaard Mensgericht Ontwerpen als houvast. Voor het andere maakte ik, op basis van literatuur, een overzicht van alles wat je binnen de overheid met elkaar moet uitlijnen wanneer je diensten ontwikkelt zoals het programma Clustering Rijksincasso (mijn casus) doet. Dat combineerde ik met de fases van het programma zelf, die ik al uit de eerste ronde data-analyse had gehaald.

Nu ik het zo opschrijf denk ik, oke, dit zit best goed in elkaar. Maar het was een enorme kluif om er te komen. En vooral om daarna, met deze nieuwe analyse structuur, opnieuw alle dagboeken, interviews en documenten door te ploegen. Tot aan de zomer plande ik elke week heel gedisciplineerd 2-3 documenten in die ik met deze nieuwe aanpak codeerde. Hierdoor stond vlak voor de zomer de dataset netjes klaar voor verdere analyse tijdens het schrijven van de twee artikelen.

Voorjaar

In het voorjaar kreeg Aniek, mijn medepromovenda uit Delft (en vorige week gepromoveerd!!) het schrijfvirus om haar artikelen en proefschrift af te maken. Zij loopt een jaar op mij voor en haar schrijfvirus was besmettelijk.

Aangezien ik al meer dan teveel data had, nam ik steeds meer een stap terug uit de praktijk. Ik werkte nog wel mee aan projecten, maar niet meer wekelijks en ik schreef ook lang niet meer alles op. (Want dan hoef je het ook niet te coderen, hey, hey!). Ik pakte mijn conceptuele framework erbij waar we in 2024 een begin mee hadden gemaakt, maar die ook al een tijd stil lag. Deze wilde ik als eerste afschrijven.

Conceptuele artikelen zijn een eigen genre: alles moet kloppen, elke term moet op zijn plek vallen en er zijn eigenlijk niet echt regels of templates voor qua structuur. Voor de zomer lukte me het om het framework zelf en de onderbouwing redelijk scherp te krijgen, maar qua positionering en structuur bleef het te breed en miste het focus.

Achteraf denk ik dat ik de literatuurstudie simpeler had moeten opzetten. Een eigen conceptueel framework maken is ook ambitieus voor een PhD, zeker in combinatie met een doorlopende etnografische studie van 2,5 jaar in de praktijk. Maar goed: als de truck eenmaal op snelheid is, ga je hem niet halverwege dwars op de weg keren.

Geen rondslingerende blaadjes, maar alles in boekjes en goed genummerd

Vlak voor de zomer besloot ik dat ik helemaal stopte met data verzamelen. De collectie ging op slot. Ook al gebeuren er super interessante dingen, ik had genoeg. Dit zorgde voor veel rust in m’n hoofd. Uiteraard hielp ik soms collega’s nog wel met iets, maar ik hoefde niet meer super alert te zijn of ik er vervolgens ook iets mee moest voor het onderzoek. Het gaf me ruimte om na de zomer écht te gaan schrijven.

Zomer

Ik had al langer last van wat gekke lichamelijke klachten. Maar toen ik tijdens de vakantie heerlijk pijnvrij door de Franse bergen liep, en vooral toen binnen 2 weken achter de laptop alle klachten weer heel snel terugkwamen, wist ik genoeg. Het lukte me niet meer om opgebouwde stress goed af te voeren in m’n lijf. Ik had mezelf aangeleerd om te lang op discipline door te zetten, mind over body, of om in de juiste sfeer te blijven: de schuld was te ver opgelopen en inmiddels stond de deurwaarder op de stoep. Ook tijdens het schrijven van dit blog lees ik weer in de recap van 2024: “vakantie schiet erbij in”.

Beste veel mensen die ik dit vertel, zeggen “Ja, dat hoort bij een PhD doen.” Maar waarom eigenlijk? Waarom vinden we het zo normaal dat promovendi structureel over hun grenzen gaan?

Boundaries

Na de zomer besloot ik dat ik zo niet door wilde. Dan maar minder ambitieus, een minder dik boek, maar ik heb geen zin om kapot te gaan. Het proefschrift hoeft niet alles te zeggen wat ik ooit nog wil zeggen over goede overheidsdiensten. Het moet vooral goed genoeg zijn, en af.

Dit wordt het nu, voor wie interesse heeft in de inhoudsopgave.

Najaar

In het najaar reisde ik weer naar Zweden om samen te werken met een van mijn promotoren. Daar keken we opnieuw naar de positionering van het conceptuele artikel. De inhoud bleef grotendeels hetzelfde, maar de opzet werd simpeler. Minder lagen, minder claims en een duidelijkere focus. De komende tijd werk ik dit verder uit, met als voorzichtig doel om het in het voorjaar van 2026 op te sturen. Of dat lukt? Geen idee. We gaan het zien.

En de mijlpaal van 2025 was dan toch: het eerste praktijkpaper af, hoofdstuk 4 in het proefschrift.

Doordat ik voor de zomer alle data weer paraat had, lukte het me met nieuwe focus en een gezondere dagindeling om meters te maken. Ik dwong mezelf om het klein te houden. Geen allesomvattend verhaal, geen volledige theoriebijdrage, maar één duidelijke analyse die goed genoeg is. Eventueel kan dit later worden uitgebreid naar een journal paper, nice to have, maar nu was het belangrijkste: iets afronden en indienen.

Ik had enorm profijt van het werk dat ik vóór de zomer had gedaan. Doordat alle data al opnieuw gecodeerd waren, lagen de bouwblokken klaar. Soms lijkt het alsof er maandenlang weinig voortgang is, en dan ineens klikken dingen in elkaar. Eerder dit jaar schreef ik bijvoorbeeld al een blogreeks over de principes van mensgericht werken, vooral om er zelf op te broeden. Die gedachten heb ik nu veel uitgebreider en analytischer kunnen verwerken in het artikel.

Terugkijkend

Het is te vroeg om de vraag te stellen of ik het opnieuw zou doen, een PhD. Ik denk oprecht dat je er naïef aan moet beginnen, anders doe je het niet. In de guide voor ambtenaren-promovendi die ik dit jaar schreef, probeerde ik eerlijk te zijn zonder al te negatief te worden. Het ís ook echt bijzonder dat ik dit onderzoek mag doen, dat het maatschappelijk zo relevant is, en dat ik zoveel vrijheid krijg.

Maar: grenzen, grenzen, grenzen. Terugkijkend had ik niet én een uitgebreid conceptueel stuk én 2,5 jaar durend etnografische studie in de praktijk moeten doen. Beide zijn op zichzelf al enorm uitdagend, en vragen een totaal andere onderzoeksmodus.

2026 wordt het laatste jaar. Ik heb maar 1 doel: het proefschrift naar de leescommissie. Mij dus niet bellen. Pas in 2027 weer. Na een laaaange vakantie.

Categorieën
Hoe doe je onderzoek? Promoklip

Meer PhD’s bij de overheid? Yass please

Gisteren kreeg ik van alle kanten een vacature doorgestuurd voor een PhD bij Dienst Toeslagen. Het voelde alsof ik mijn eigen job description las! Ik begon in 2022 met een promotieonderzoek als ambtenaar over hoe de overheid diensten kan maken die goed zijn voor mensen, specifiek in hoe ze schuld int.

Nu ken ik wel meer ambtenaren die ook promoveren, maar wat deze vacature (en vooruit mijn baan dus) bijzonder maakt: het onderzoek is niet iets dat je ernaast doet, maar het is je baan in de praktijk. Dat is waardevol voor de overheid (veranderkracht en nieuwe inzichten), voor de wetenschap (unieke toegang tot data) én voor de promovendus zelf (een unieke leerervaring).

Zelf ben ik inmiddels drie jaar bezig met mijn onderzoek. Niet via een vacature, maar door mijn eigen voorstel te lobbyen en samen met DUO en CJIB aan de slag te gaan. Op dit blog lees je er van alles over. Ik vind het een enorme kans, en daarom een paar tips voor wie met deze vacature en in de toekomst meer van dit soort vacatures aan de slag gaat.

Wil je elke maand een update in je mailbox over mijn onderzoek? Abonneer je dan op mijn nieuwsbrief.

Leuke meme
Leuke meme

Breekijzer voor verandering

Tijdens mijn masteronderzoek merkte ik al: sommige dingen zijn binnen een organisatie moeilijk bespreekbaar te maken. Soms zelfs onmogelijk om naar buiten te brengen. Maar zodra er een extern instituut meekijkt, en je als onderzoeker ook academische verplichtingen hebt, dan verandert er iets.

Het geeft legitimiteit. Je kunt vragen stellen die normaal misschien te gevoelig zijn. Je krijgt ruimte om stil te staan bij dingen die anders onder tafel blijven. En je kunt thema’s op tafel leggen die belangrijk zijn voor de burger, maar die in de waan van de dag vaak niet de hoogste prioriteit krijgen. Die academische bril helpt dus niet alleen om diepgaand onderzoek te doen, maar ook om deuren te openen.

Een van de grootste uitdagingen voor overheidsorganisaties op dit moment is om vanuit het perspectief van burgers te werken en te organiseren. En dit te combineren met democratische processen, organisatorische ingebakken processen en automatisering. De wetenschap heeft hier vaak (nog) geen antwoord op. Voor beide partijen is het dus heel cool wanneer een onderzoeker zo diep een organisatie in mag, en hier wetenschappelijk over kan publiceren.

Maar het is geen gewoon PhD-onderzoek

En het is ook geen gewone baan in de praktijk.

Het balanceren van werken in de praktijk als actieonderzoeker en het zijn van wetenschapper vind ik het moeilijkste aan de combi. Ik dacht toen ik begon dat ik volop in de praktijk aan de slag ging en daar dan op vrijdagen over zou schrijven. In de praktijk is dit andersom. Minstens driekwart van de tijd besteed ik aan lezen, schrijven, data analyseren, cursussen volgen en mijn artikelen opbouwen. Allemaal dingen waarvoor ik níet in de organisatie hoeft te zitten. Sterker nog, daar leidt het vaak alleen maar van af.

Ik voel me regelmatig schuldig naar het team dat ik daar vaker moet zijn en meer moet helpen, “want het is toch actieonderzoek” en er gebeurt zoveel waarmee ik vind dat ik kan helpen. Tegelijkertijd is mijn taak in het team het wetenschappelijk onderzoek en moet er over een jaar een proefschrift liggen.

Je bent dus continu aan het kiezen tussen nu, actie en een stap terug en investeren in het proefschrift op de lange termijn.

Actiefoto! Met prachtig ontworpen werkvormen door mijn designmaat Reinout Tiekstra

Ik kan inmiddels wel drie proefschriften vullen met wat ik bij Clustering Rijksincasso, mijn casus, zie en hoor, maar één is al ingewikkeld genoeg. De echte waarde zit niet in het stapelen van steeds meer observaties en interventies, maar in het analyseren, duiden en publiceren van patronen en keuzes. Het gaat dus niet alleen om de actie, maar juist ook om het onderzoek, en daar moet je zelf maar ook de organisatie aan wennen.

Ze moeten je ook een beetje beschermen (en jij jezelf ook)

Ik heb een lieve manager bij DUO (de organisatie die garant voor mij staat voor de hele 4 jaar) die regelmatig vraagt hoe het met mij gaat, en niet met mijn promotieonderzoek. Bij het CJIB (waar ik 2 jaar gedetacheerd onderzoek doe) heb ik een leidinggevende die mij alle ruimte geeft om het zelf in te delen, qua tijd en inhoud. Bij de TU Delft heb ik twee promotoren die scherp toezien dat ik mijn academische rol vervul en niet teveel praktijkhooi op de vork neem. En thuis een leuke man die op gegeven moment vraagt of ik kom eten, en na het avondeten mag ik niet meer werken van mezelf.

Met het team aan de slag

Een praktijkpromotie klinkt dynamisch en vrij, maar zonder duidelijke grenzen loop je het risico om te verdrinken in academische ambitie, praktijkdata en tegengestelde belangen van betrokken organisaties. Het is daarom essentieel om vanaf het begin heldere afspraken te maken: over je rol, je academische vrijheid, en over geheimhouding (en vooral: de ontheffing daarvan als ambtenaar, zodat je ook echt kunt publiceren).

Zo’n expliciete afbakening is geen bureaucratisch detail, maar een voorwaarde om als promovendus overeind te blijven.

Begin een dagboek

In de praktijk ben je nooit alleen maar onderzoeker. Soms zit je als adviseur in een overleg, soms als ontwerper in een workshop, en soms gewoon als collega bij de koffieautomaat. Die schakels zijn waardevol, maar ook tricky: voor je het weet word je vooral als adviseur gezien, en verdwijnt de academische kant naar de achtergrond. Onthou dat je altijd, welke pet je ook op hebt, ook onderzoeker bent.

Begin daarom vanaf dag 1 een dagboek. Schrijf op wat er gebeurt, hou je agenda goed bij zodat je momenten in de tijd goed terug kunt vinden. Alles wat gebeurt is ✨data✨ en je bent later blij als je dat goed vastlegt. Schrijf geen lappen tekst, hou het kort en bondig. Neem gesprekken op, vraag om toestemming. Juist ook groepsgesprekken, die zijn vaak heel interessant.

Geen rondslingerende blaadjes, maar alles in boekjes en goed genummerd

En zorg dat je vanaf het begin alles goed kunt terugvinden. Anders weet je straks niet meer wat nou door wat komt, en wat je eigen invloed was en wordt het een grote brij. Dat wordt het toch wel, en dan is je agenda en dagboek de gids die je blind het datamoeras weer in leidt.

Meer tips voor promovendi

Leer van te voren je promotoren kennen. Met hen ga je vier jaar samenwerken en zij zijn samen met jou verantwoordelijk voor het slagen van het project. Je wilt wel echt van te voren weten of er een klik is. Lees wat van hun werk en kijk of je het interessant vindt wat ze doen en hoe ze werken.

Hou, als het kan, je begeleidingsgroep klein. Hoe meer mensen en organisaties, hoe meer belangen je te managen hebt. En jij bent degene die van de een naar de ander moet met afstemming op werkwijze en conceptartikelen. Maak goede afspraken en laat je niet gek maken. Neem de leiding.

Leer nee zeggen. Tegen meer data, meedenken met een project, op kantoor werken als op de uni of thuis een rustiger bureau staat, tegen lunchafspraken (behalve met vrienden), tegen je promotoren als er nog meer kansen langskomen. En tegen jezelf als je meer wilt, maar minder ook voldoende is voor een fantastisch proefschrift.

Vertel niet teveel mensen dat je dit gaat doen. Begin zeker geen nieuwsbrief of blog waarbij je elke maand weer moet nadenken wat je kunt vertellen aan lezers, terwijl je 0 voortgang boekt, geen idee hebt hoe je verder moet en nadenkt over het openen van een nagelsalon. Gun jezelf de tijd om te falen en uit te zoeken hoe je verder moet. Bel je promotoren. Of je moeder. Maar begin vooral geen nieuwsbrief.

Tips voor organisaties

Zie de promovendus niet als consultant of extra werkkracht maar als onderzoeker waar je pas echt wat aan hebt bij het verschijnen van het proefschrift. In de praktijk is het niet zo zwart wit, helemaal niet bij actieonderzoek waar je juist in de praktijk samen leert. De promovendus neemt de inzichten mee in het onderzoek en het team kan direct met de inzichten aan de slag. Toch is het in mijn ervaring heel fijn om de onderzoeker als bonuskracht te zien, zodat de academische doelen op 1 blijven staan en niet ondersneeuwen. Geef de onderzoeker dus ook ruimte om weken aaneengesloten weg te zijn uit de praktijk om data te verwerken en artikelen te schrijven.

Maak ondanks die uitzondering de promovendus 100% deel van het team. Nodig ze uit voor de borrel, het teamfeest en voeg ze toe aan de afdelingsschijf. Ten eerste is het nodig om echt van binnenuit te kunnen onderzoeken en dus volledig toegang te kunnen krijgen. Collega’s zijn opener en vertellen en betrekken de promovendi wanneer dit teamgevoel er is. Het onderzoek wordt er beter door. Maar het is ook gewoon fijn. Zonder mijn teammaatjes bij CRI had ik allang de laptop uit het raam gegooid.

Love deze mensen zo much

Ik hoop dat er veel meer van dit soort plekken komen bij de overheid. Er valt nog zoveel te onderzoeken en te leren. En juist door die kennis niet binnen de organisaties te houden, maar te delen met de wetenschap kunnen we er allemaal van leren.

Verder lezen?

Categorieën
Mensgericht ontwerpen

Stille ontwerpers en fluïde teamgrenzen

Een mensgerichte dienst maak je niet alleen. In deze blog lees je waarom het uitmaakt wie je betrekt bij het ontwerpen van overheidsdiensten, en waarom dat verder gaat dan alleen ‘een designteam’. En wat je mist als juristen en bestuurders niet meedoen.

Wil je elke maand een update in je mailbox over mijn onderzoek? Abonneer je dan op mijn nieuwsbrief.

Stickers op de laptop

Wat me misschien wel het meest verbaasd aan het team waar ik nu bij hoor, is hoe anders het voelt dan de designteams waarin ik eerder werkte. Daar zat ik met UX-designers, onderzoekers, content designers, en vooruit, af en toe een business analist. Iedereen sprak dezelfde taal, gebruikte dezelfde tools, had dezelfde stickers op de laptop. Teams waarin we elkaar meestal helemaal vonden, al was het alleen al in onze frustratie dat we niet meer impact maakten in onze organisatie.

Anderhalf jaar geleden begon ik aan mijn praktijkonderzoek voor mijn promotie-onderzoek bij het programma Clustering Rijksincasso. Hier tref ik geen klassiek ontwerpteam zoals ik gewend ben. Sterker nog: niemand noemt zichzelf hier ontwerper. Er is één collega die als “onderzoeker” op de rol staat, maar duidelijk ook als UX-ontwerper werkt. De rest zijn procescoördinatoren, juristen, analisten, projectleiders, product owners; mensen die heel hands-on “gewoon” diensten aan het maken zijn.

Als ik in interviews vraag naar mensgericht ontwerpen of – alert, jargon – human-centered design, krijg ik steevast antwoorden als:

“Ja, maar als je je eenmaal realiseert dat de burger maar 1 afloscapaciteit heeft, dan is het toch super logisch. Dan maak je het toch gewoon zo?”

Vanuit een simpele gedachte stellen ze de interne structuur van de overheid aan de kaak, maken ze ruimte voor nieuwe manieren van dienstverlening en maken ze daar verder niet te veel fancy woorden aan vuil. Niemand heeft stickers op de laptop. Toch wist ik vanaf het begin zeker: hier werkt een team dat mensgericht diensten ontwerpt.

Wat is een goed ontwerpteam?

De ISO-standaard over mensgericht ontwerpen zegt dat een ontwerpteam multidisciplinaire vaardigheden en perspectieven moet bevatten. Een ontwerpteam hoeft niet groot te zijn, zolang het maar in staat is om alle relevante perspectieven mee te nemen in het ontwerp zodat dit goed aansluit bij de gebruikers, hun context en behoeften.

Een van de krachten van ontwerpend werken is dat je verschillende perspectieven niet alleen verzameld, maar ook weet te verenigen. Ontwerp maakt het mogelijk om belangen die op het eerste gezicht tegenstrijdig lijken, zoals eenvoud versus precisie of handhaving versus dienstverlening, samen te brengen in een oplossing die werkt. Juist wanneer je deze perspectieven al in je team verenigt, ontstaat er ruimte om gezamenlijk betere keuzes te maken. Een goed ontwerpteam is dus geen verzameling experts, maar een collectief dat kan schakelen tussen perspectieven.

De grenzen van het team

Bij een team denken we vaak aan 1 groepje mensen dat samenwerkt. Een team kan ook uit een structuur van verschillende lagen en deelteams bestaan, die met elkaar ook weer een team vormen. Per team kun je heel doelgericht je expertise en perspectieven bundelen.

Bij CRI zie je dat terug in hoe het programma werkt met gelegenheidsteams rondom deelproblemen. Zo is er een “groepje” dat werkt aan de juridische basis voor data-uitwisseling zodat de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen kunnen aansluiten op de Betalingsregeling Rijk (BRR). In dit team zitten collega’s van alledrie de organisaties.

Een ander gelegenheidsteam bestaat uit collega’s van DUO om hun deelname aan de BRR uit te breiden. Waar hier overlap zit met vraagstukken die de Belastingdienst en de Dienst Toeslagen ook hebben, wordt er een call ingepland om te sparren over hoe zij het aanpakken. Al deze mensen werken samen aan het maken van deze betaaldienst. Teamgrenzen zijn fluïde.

Sterker nog: in het programma leeft actief het gevoel dat wie meewerkt aan de dienst, bij “team CRI” hoort, of die nu bij CJIB, Belastingdienst, UWV of DUO werkt.

Stil ontwerpen

Het valt me op dat in dit programma mensen vanuit allerlei domeinen en rollen samenwerken aan de diensten die zij maken, zonder dat ze zichzelf ontwerper noemen. Ze werken niet in een afgeschermd lab, proeftuin of intern UX-clubje, maar midden in de lijn. Maar zij ontwerpen wel degelijk mensgerichte diensten. In de literatuur heet dat silent design, ontwerpen zonder dat mensen dat zelf zo noemen.

Fragment uit een interview met een van de teamleden. Zoals je ziet komen de woorden “ontwerpen” en “design” weinig in het interview voor, maar omschrijft deze persoon wel hoe het (ontwerp)team enthousiast tot stand komt.

De vergeten discipline: de jurist

Opvallend genoeg ontbreekt in de ISO-omschrijving één discipline die binnen de overheid onmisbaar is: de jurist.

Bij publieke dienstverlening is wetgeving zelden afwezig. Soms kan je slechts de wet opnieuw of anders uitleggen. Hier lopen veel ontwerpende disciplines in de uitvoering tegenaan (we nemen nu even een minuut stilte voor alle content redacties bij gemeenten en uitvoeringsorganisaties).

Wanneer het wel lukt om beleid en wetgeving te veranderen, dan rek je de oplossingsruimte om goede diensten te maken aanzienlijk op. Hier zijn de juristen aan zet. Zij moeten niet alleen toetsen, maar juist het voortouw nemen: regelmatig casuïstiek uit de praktijk opzoeken, alternatieven schetsen, actief scenario’s verkennen, en deze vervolgens het politieke proces inbrengen.

Zonder juristen die openstaan voor het perspectief van de burger kun je niet iets nieuws ontwerpen. Maar mét zulke juristen kun je dingen doen die eerder ondenkbaar waren.

Jasper van Kuijk noemde hen eerder in zijn column in de Volkskrant kan-wel-juristen. Voor juristen (en geïnteresseerden) die graag zo’n soort jurist willen worden, verwijs ik je door naar Wendbaar Wetgeven van Mariette Lokin.

Bestuurders zijn ook onderdeel van het team

Mensgericht ontwerpen vraagt ruimte. Bijvoorbeeld om iteratief te werken en niet van te voren precies te weten wat je maakt. Of om met gebruikers te testen nog voordat alles tot in de puntjes is afgestemd.

Deze ruimte is niet alleen operationeel, maar ook bestuurlijk. Zeker in de overheidscontext heb je te maken met beleid, politiek en publieke verantwoording. Als bestuurders niet worden meegenomen in het ontwerp- en leerproces, wordt elke stap een afstemmingsstrijd of een risico.

Bij CRI zie ik hoe het anders kan: bestuurders zijn vanaf het begin betrokken, krijgen tussentijdse inzichten en zien hoe gebruikers reageren. Zo kunnen ze meebewegen, richting geven én bijsturen, vanuit feiten, niet alleen aannames. Bestuurders zijn onderdeel van het lerend systeem.

Hoe begin je?

  • Kijk opnieuw naar je team. Wie zit er nu aan tafel? Welke discipline of perspectief mis je? Denk verder dan de usual suspects, misschien hoort die jurist, die ketenpartner of die beleidsstrateeg er eigenlijk gewoon bij.
  • Zie je team als een netwerk. Je hoeft niet alles in één groepje te stoppen. Werk met gelegenheidsteams, betrek partners op het juiste moment, en durf te denken in structuren die bewegen.
  • Betrek juristen als ontwerpers. Niet alleen om iets goed te keuren, maar om mee te ontwerpen in wat anders kan. Zoek de kan-wel-juristen.
  • Maak ruimte voor bestuurders en vraag hen ruimte voor het team te maken. Creëer momenten om samen te reflecteren en organiseer een verantwoordingsstructuur die de balans houdt tussen vertrouwen en regie voor de bestuurders en experimenteerruimte voor het team. Niet achteraf, maar vanaf het begin.

Een mensgerichte dienst maak je met mensen die elkaar aanvullen, uitdagen en samen ontwerpen, ook als ze zichzelf geen ontwerper noemen.

Verder lezen?

Over de principes van mensgericht ontwerpen schreef ik ook deze blogs:

Categorieën
Mensgericht ontwerpen

Ontwerpen is testen, en dan nog eens testen

Overheidsdiensten hoeven niet af te zijn om van gebruikers te leren. Een dienst ontwerpen voor mensen betekent: testen wat je maakt, telkens opnieuw. Deze blog gaat over hoe je bij het maken van overheidsdiensten je voornamelijk kunt laten leiden door de kennis van gebruikers. En waarom dat essentieel is om beter beleid én betere uitvoering te maken.

Wil je elke maand een update in je mailbox over mijn onderzoek? Abonneer je dan op mijn nieuwsbrief.

“We kunnen dit nog niet naar buiten brengen”

“Maar het is nog niet in de Kamer geweest.”
“Straks denken mensen dat het al besloten is.”
“Wat voor verwachtingen creëer je dan?”

Dit hoorde ik vaak toen ik werkte bij verschillende uitvoeringsorganisaties. Testen met gebruikers, vóórdat iets formeel is afgestemd, politiek gelegitimeerd of bestuurlijk beklonken, roept spanning op. Want in de logica van de overheid telt ‘de buitenkant’. En die buitenkant is dubbel: aan de ene kant wil je democratisch gelegitimeerde besluiten communiceren, aan de andere kant wil je als dienstverlener aansluiten bij wat mensen nodig hebben in hun situatie. Ik noemde dat eerder de dubbele buitenkant van de overheid.

Door die spanning wordt testen met gebruikers vaak uitgesteld of zelfs afgesteld. Eerst moet het “officieel” zijn. Maar wat als juist dat uitstellen ervoor zorgt dat we minder weten, minder leren en uiteindelijk minder kunnen bijsturen?

Belangrijk principe om mensgericht te ontwerpen

De ISO-standaard voor mensgericht ontwerpen stelt het helder: Een ontwerp moet worden gedreven en verfijnd door evaluatie met gebruikers. Dat betekent: je maakt iets, je laat het zien aan de mensen voor wie je het maakt en die het gaan gebruiken, je leert ervan en je past het aan. Niet één keer, maar continu.

Dit principe bouwt voort op eerdere principes uit deze blogserie:

Testen is dus niet de kers op de taart. Het is het deeg waarmee je bakt. “Gedreven worden door” betekent ook dat je je continu afvraagt bij het nemen van beslissingen hoe je ontwerp ervaren wordt door gebruikers. Dat is doorslaggevend!

Waarom voelt testen zo ongemakkelijk in de overheid?

In de politiek-bestuurlijke logica wil je controle en duidelijkheid: is dit wel afgestemd? Hebben we dit mandaat? Wat zeggen we ermee als we dit aan mensen laten zien? Stel dat mensen het niks vinden, en de media pikt het op?

In de ontwerp-logica wil je juist openheid: wat werkt wel, wat werkt niet? Waar loopt iemand vast? Wat missen we nog? Wat hebben we vervolgens nodig om het te realiseren?

Die twee logica’s botsen, zeker als het gaat om ‘iets naar buiten brengen’. Terwijl testen met gebruikers júist iets anders doet dan communiceren: het is geen persbericht, geen beleidsdocument, geen marketing. Het is leren.

En belangrijker nog: goed testen helpt juist om de brug te slaan naar de politiek-bestuurlijke buitenkant. Want je kunt met bewijs praten. Je weet wat er werkt. Je ziet wat niet aansluit. En je kunt beter onderbouwd beslissingen nemen, of ze nu klein en operationeel zijn of groot en beleidsmatig.

Hoe kan het wel? Wat ik zie bij CRI

In mijn onderzoek bij het programma Clustering Rijksincasso zie ik hoe het wél kan.

Bijvoorbeeld bij het maken van het Vorderingenoverzicht, een digitale dienst voor burgers met betalingen aan de overheid. Hier wordt tijdens elke ontwikkelsprint met gebruikers getest en de feedback vormt input voor de volgende sprint. Het maakt het ontwerp niet alleen beter, het hele ontwerp is gedreven door deze feedbacksessies.

Al hun gebruiksonderzoek staat online en kun je teruglezen. In handige slides laten ze steeds zien wat ze geleerd hebben, zoals dit voorbeeld:

Screenshot uit de slidedeck Testen flow, sprint 28 van VO Rijk.

Een ander voorbeeld is de Betalingsgregeling Rijk. In de blog over iteratief maken vertelde ik al hoe deze regeling stap voor stap wordt uitgebreid met nieuwe organisaties. Dat geeft ruimte om tussendoor steeds te leren: van burgers die gebruik maken van de regeling én van overheidsorganisaties die aansluiten bij de regeling.

Die inzichten gaan verder dan alleen teksten of knoppen. Ze raken ook keuzes over minimale aflosbedragen, hoe je omgaat met restschulden, hoe geld verdeeld wordt tussen organisaties en wat er technisch en juridisch mogelijk is in het delen van data.

Het team werkt in meerdere ritmes tegelijk: de dienst wordt continu gemonitord, periodiek wordt verdiepend onderzoek gedaan met gebruikers, en jaarlijks wordt de beleidsregel herijkt. Input uit de praktijk wordt zo operationeel én strategisch benut.

Daarnaast werkt het team aan een Wet op de Overheidsincasso, uiteindelijk samen met ministeries en bewindspersonen, die andere buitenkant. Ook hier vormt praktijkervaring de basis. Zo groeien uitvoering, beleid en wetgeving naar elkaar toe, op basis van wat werkt voor mensen.

Door te testen, haal je kortom de onzekerheid niet weg. Maar je maakt ‘m zichtbaar en werkbaar. En dat is precies wat je nodig hebt als je publieke waarde wilt realiseren.

Hoe begin je met dit principe?

Als je dit wilt doen, begin dan klein, maar begin wel. Gebruik de andere principes van mensgericht ontwerpen: begrijp de context van je gebruikers, werk vanuit hun hele ervaring, betrek ze continu en werk iteratief.

De ISO noemt ook activiteiten die je hierbij helpen:

  • Plan evaluaties op meerdere momenten in je proces, niet alleen aan het eind want dan ben je te laat.
  • Kies passende evaluatiemethoden (van snelle tests tot observaties en uitgebreide feedbacksessies)
  • Zorg dat wat je leert, ook echt terugkomt in het ontwerp. Pas het ontwerp dus regelmatig aan en probeer ook soms iets uit om te kunnen testen.

En voor bestuurders: durf ruimte te maken voor dit leren. Maak ruimte om diensten, systemen, processen en beleid te veranderen en bij te stellen. Ja, het voelt kwetsbaar. Ja, het schuurt soms met de formele lijnen. Maar alleen door te testen weet je of wat je maakt ook echt werkt voor de mensen voor wie je het maakt.

Categorieën
Promoklip

Hoe gaan we ‘dwars door de orde’?

Dwars door de orde is het nieuwste boek van Arre Zuurmond, regeringscommissaris informatiehuishouding. Tijdens zijn boekpresentatie (gisteren) vroeg hij mij om op het hoofdstuk Transformatie te reageren. Een hele eer uiteraard, mijn speech kun je hieronder teruglezen.

Wil je elke maand een update in je mailbox over mijn onderzoek? Abonneer je dan op mijn nieuwsbrief.

Leuke dingen doen

Toen Arre mij vroeg om vandaag te reageren op het hoofdstuk Transformatie van zijn nieuwe boek, zei hij dat dat was omdat “ik leuke dingen deed”. 

Ik moest daarom grinniken want dat is vast niet wat mijn directeur 8 jaar geleden dacht toen hij erachter kwam dat ik al 2 jaar een blog had over wat studenten dachten over het leenstelsel en hoe we als DUO konden leren van hun ervaringen en wat we dan anders moesten doen. 

Dat was niet zo bestuurlijk sensitief van mij. 

Bloggen is voor mij een manier om hardop te denken, om dingen die ik niet weet of niet kan, expliciet te maken. Om verbinding met anderen te krijgen die mij kunnen helpen en zo meer te leren. In de wetenschap heet dit reflectie in actie. 

Over hoe we meer kunnen reflecteren bij de overheid, alleen en samen met burgers en collega’s, schrijf ik vaak. Bijvoorbeeld in dit blog: Hoe te reflecteren.

Toen ik 10 jaar geleden begon als gebruiksonderzoeker in een uitvoeringsorganisatie was dit een nieuwe baan. We wisten nog niet precies wat het inhield en wat je er in de organisatie verder mee moest. Feedback van burgers? Terwijl we gewoon onze draaiende systemen en processen hebben? Wat moet je daar nou mee? 

We hebben geen overzicht

In het begin dat ik bij de overheid kwam, vond ik het lastig om te snappen hoe de bureaucratie in elkaar stak. Pas toen ik op scholen kwam, bij buurthuizen, en met mensen sprak die met diensten van de overheid te maken hebben, snapte ik hoe het bij elkaar kwam. Of juist niet.

In de afgelopen jaren liep ik bijvoorbeeld eens mee met een deurwaarder, zat ik een hele middag op een picknickbank in de bieb bij een IDO waar mensen met issues over de digitale overheid langs kunnen komen, en luisterde ik mee met collega’s in belcentra van DUO en het UWV.

Ik merkte al snel dat er weinig mensen zijn bij de overheid die echt overzicht hebben hoe het een verbonden is met het ander. Die weten waarom we eigenlijk al die systemen en informatieprocessen opgetuigd hebben. Dit is wat mij betreft de reden voor de steeds maar uitdijende rompslomp die Arre noemt in zijn boek.

Dit inzicht deed ik op tijdens mijn masterstudie over een Begripvolle digitale overheid. Je leest erover in het essay: We kunnen geen begripvolle ambtenaar zijn omdat we het overzicht kwijt zijn.

Een praatje in de wijk is de beste manier om onlogische bureaucratie te vinden in je organisatie. Mijn advies aan wie dan ook is daarom altijd “ga eens je kantoor uit en knoop dat praatje aan met iemand die te maken heeft met jouw dienst, product, beleid, organisatie.” 

Weet je niet waar je moet beginnen? Hier vast 20 manieren hoe je in contact komt met je doelgroep.

Hoe de overheid geld int

Een goed voorbeeld van rompslomp is het huidige onderwerp waar ik me mee bezighoud: hoe de overheid geld int bij burgers. Dat doen ze allemaal apart, als concurrenten van elkaar, met aparte regelingen, in apart tempo, en ook met aparte definities en methoden van hoe je bijvoorbeeld nou het bestaansminimum van iemand berekent. En dat pakt voor een heleboel mensen in ons land desastreus uit.

Pas wanneer je dat praatje in de wijk aanknoopt met iemand in die situatie, zie je dat pas, want met oogkleppen op vanuit je eigen organisatie lijkt het soort van wel logisch. 

Wat mij dan wel heel blij maakt, is dat sinds een jaar of 2 het advies om een praatje te maken niet meer met een zucht wordt beantwoord. Het is geen rare gedachte meer dat je dat zou doen, zoals dat 10 jaar geleden wel was. 

En de grootste verandering is misschien nog wel dat mensen tegenwoordig mij wèl bestuurlijk sensitief vinden, terwijl ik nog precies hetzelfde doe als 8 jaar geleden. Dit soort dingen zet ik nog steeds allemaal op mijn blog, waar je nu dit stuk leest.

Het vertelt mij dat die “nieuwe orde” van Arre dichterbij is dan we soms misschien denken. 

Pracademic

Met mij leren inmiddels een heleboel anderen bij de overheid mee. Ik doe nu samen met de TU Delft en 8 grote uitvoerders promotie-onderzoek naar hoe we bij de overheid goede digitale diensten kunnen ontwerpen. Net als Arre probeer ik een pracademic te zijn, een wetenschapper uit/in de praktijk.

De leidende principes in mijn onderzoek zijn het betrekken van gebruikers en het iteratief leren. Voor dit onderzoek volg ik 2 jaar lang het programma Clustering Rijksincasso waar ze op deze mensgerichte manier herontwerpen hoe de overheid gezamenlijk schuld int met oog voor persoonlijke situaties. Ze maken onder andere een vorderingenoverzicht voor overzicht en inzicht en een gezamenlijke betalingsregeling voor burgers met betalingsachterstanden.

Dit zijn informatiediensten die goed zijn voor mensen. 

Arre geeft een aantal aanjagers voor verandering bij de overheid. Hij zegt dat we bewust moeten kiezen om anders te gaan werken. Dat we niet in techniek maar in informatie en, ik wil daaraan toevoegen, relatie moeten denken. En bijvoorbeeld ook dat we gewoon ergens moeten beginnen. Dat is top, want dat kan dus gewoon op de plek waar je al zit. 

Kardinale deugden

Arre geeft ons in zijn boek een paar kardinale deugden mee: wijsheid, rechtvaardigheid, moed en gematigdheid. 

Daar wil ik graag 1 aan toevoegen. Dat is compassie. Begrip voor elkaar. 

Verandering is moeilijk, en dat is oké. 

Op mijn 14e ben ik verhuisd naar Nederland en in een korte tijd was alles ineens anders voor mij. Ik vond dat angstaanjagend. Ik kende de regels niet, de sociale codes en wist de route in deze nieuwe omgeving niet. Zowel figuurlijk als letterlijk: ik moest ineens rechts rijden in plaats van links.

Net zoals Arre de bureaucratie wil flippen, was voor mij het verkeer geflipt. 

Ik woon inmiddels 20 jaar in Nederland, maar ik zeg af en toe nog steeds, vlak voordat ik weg wil rijden: “In Nederland rijden we rechts”. Dit geeft mijn passagiers vast weinig vertrouwen en toch blijven ze altijd zitten. 

Laten we compassie voor elkaar hebben. Elkaar helpen om de nieuwe regels te vinden en te leren, nieuwe routes te ontdekken, hardop te leren en zo te navigeren in die “geflipte bureaucratie” en te komen op de bestemming van een digitale overheid die werkt voor mensen.

Een routewijzer

Naast compassie hebben we ook concrete aanwijzingen nodig. Wat ik op mijn 14e nodig had, hebben wij nu ook nodig.

Iemand die je de weg wijst als je verdwaalt bent, daar hebben we nu Arre’s boek voor. En voorbeelden van verkeerssituaties en hoe je dan dient te handelen. Concrete voorbeelden met inzichten die je ook in andere situaties kunt toepassen, kunnen enorm helpen om met elkaar naar die nieuwe bestemming te navigeren.

Naast deze speech, heeft Arre mij daarom ook gevraagd om de komende maanden zo’n voorbeeld uit te werken. Als handelingsperspectief bij zijn boek voor anderen bij de overheid. Dat vind ik superleuk, en ga ik samen met het team waar ik mijn onderzoek doe dan ook met plezier doen.

Leren van het Vorderingenoverzicht Rijk

Een van de diensten die in het programma Clustering Rijksincasso ontwikkeld wordt is het Vorderingoverzicht Rijk. Dit najaar komt het Vorderingenoverzicht beschikbaar voor een eerste groep gebruikers en dit wordt de komende jaren uitgebreid en doorontwikkeld. 

In dit Vorderingoverzicht kunnen burgers overzicht krijgen van de betalingsverplichtingen die ze open hebben staan bij de overheid, en inzicht wat dit betekent voor hun situatie. Bijvoorbeeld wat voor betalingen het zijn en wat de looptijd is. In de toekomst komt er steeds meer handelingsperspectief bij. Bijvoorbeeld een betalingsregeling voor meerdere vorderingen tegelijk waarbij rekening kan worden gehouden met je draagkracht en een pauzeknop als je onder water dreigt te komen.

Interface van het Vorderingenoverzicht voor gebruikers. Uit archief VO Rijk.

Dit project is bijzonder op 4 manieren, en die lessen gaan we de komende maanden expliciet maken.

Ten eerste: hoe je kijkt naar de relatie en interactie van burgers met de overheid. In deze concrete casus brengen we burgers op gelijke informatiepositie als de overheid. Burgers vragen zelf hun data op bij de bron, en de overheid heeft niet het totaaloverzicht dat burgers zelf wel hebben. 

Burgers vragen zelf hun data op rechtstreeks bij de bron. Tekening uit archief VO Rijk.

Hiervoor worden concrete technische standaarden ontwikkeld die deze interactievisie realiseren. Informatie tussen burgers en overheid wordt uitgewisseld met privacy by design als uitgangspunt. Dit is het tweede punt dat we uitwerken. Deze standaarden kun je ook in andere projecten toepassen. 

Het derde aspect is de werkwijze. Het Vorderingenoverzicht wordt iteratief ontwikkeld waarbij bij elke stap gebruikers betrokken worden. De inzichten uit het gebruiksonderzoek worden elke sprint publiekelijk gedeeld. Elke 3 maanden is er een Grand Demo, waarin het team alle stakeholders en geïnteresseerden laat zien wat er is bereikt in het voorgaande kwartaal.

Een versie van de interface van het Vorderingenoverzicht wordt getest met een potentiële gebruiker. Foto uit archief VO Rijk.

Het vierde en laatste aspect: het Vorderingenoverzicht is een samenwerking tussen allerlei organisaties. Eigenlijk is het van niemand, ja, van de burger, maar de dienst is van alle organisaties samen. Dat betekent ook dat je een nieuwe vorm van besturen nodig hebt. Waar beheer je de technische protocollen, wie gaat over de aansluitingen en wie over de kwaliteit van de interactie met de burger?

Wat wij willen maken is een blauwdruk van deze 4 punten. Ik stel me een soort verkeersgids voor die we kunnen gebruiken om te navigeren naar Arre’s nieuwe orde en wat dat betekent voor hoe we kijken naar de relatie burger overheid, wat we vervolgens maken, hoe we dat doen en hoe we het besturen.

Kun je niet wachten tot we dit af hebben? Op vorijk.nl kun je nu al struinen door alle documentatie, zoals de broncode, gebruiksonderzoeken, en algemene uitleg over wat het Vorderingenoverzicht inhoudt en hoe het gemaakt wordt.

Verder lezen

Arre Zuurmond’s boek natuurlijk: Dwars door de orde. Een onorthodoxe route naar een responsieve overheid. Vers van de pers!

Platformland, van Richard Pope (2024). Uitstekend boek over hoe je de nieuwe generatie publieke diensten kunt maken.

Good services van Lou Downe (2020). Over, ja, de titel zegt het al, wat goede diensten zijn. Binnenkort komt hen ook met de tegenhanger Bad Services, ongetwijfeld ook een leestip.

Mijn blog, je bent er al. Struin in het archief. En kijk op debegripvolleambtenaar.nl, mijn masterstudie over een begripvolle digitale overheid.

Wil je elke maand een update in je mailbox over mijn promotie-onderzoek? Abonneer je dan op mijn nieuwsbrief.

Categorieën
Mensgericht ontwerpen Promoklip

Iteratief maken

Het beste mensgerichte ontwerp voor een interactieve dienst kan je niet bereiken zonder iteraties. In een serie blogs behandel ik de principes van mensgericht werken. Iteratief werken is daarbij een belangrijk onderdeel. Daar gaat deze blog over.

Wil je elke maand een update in je mailbox over mijn onderzoek? Abonneer je dan op mijn nieuwsbrief.

In 1x goed doen

Laatst was ik bij een bijeenkomst waar na een werksessie twee aanpakken op het whiteboard gepitcht werden. De ene was een soort tussenstap waarbij een aantal zaken tijdelijk geregeld werden. De ander was het maken van een nieuwe wet waarbij zaken grondig goed aangepakt konden worden. Beide opties hadden voor- en nadelen. Op een gegeven moment zei een van de aanwezigen: “We doen het liever in 1x gelijk goed.”

Dat hoor ik vaker bij de overheid. Het voelt niet efficient om dingen te doen als we het later weer veranderen. En het is eng. Het risico dat het iets niet goed is en we als overheid fouten maken (en in de krant komen!) is groot.

Veel uitvoeringsorganisaties zijn de laatste jaren betrokken bij grote serviceschandalen, zoals met de kinderopvangtoeslag, de WIA-uitkering of de uitwonendenbeurs voor studenten. Deze kwesties hebben allerlei verschillende oorzaken en gevolgen, maar wat ze gemeen hebben is dat ze organisaties onzeker maken om nieuwe fouten te maken. Dit maakt ze terughoudend om creatief te zijn en te experimenteren. Terwijl dat juist nodig is om goede diensten te maken.

Er zijn in het dagelijks leven ongetwijfeld zaken die je in 1x goed kunt doen, maar diensten maken die door mensen goed te gebruiken zijn, dat kan niet in 1x goed. Dat moet je al doende leren, testen en finetunen. De ISO-standaard mensgericht ontwerpen stelt dat je door het herhalen van stappen en tussentijds feedback zoeken, je makkelijker een gewenst resultaat bereikt. Door iteratief te werken kun je onderzekerheid tijdens het bedenken en maken van diensten wegnemen.

Wat is iteratief werken

Iteraties betekent letterlijk: herhalingen. Als je iets maakt, doe je dat in verschillende versies. Zodra je nieuwe informatie hebt, pas je beleid, processen, systemen, applicaties en brieven weer aan. Hiermee beperk je het risico dat wat je bedenkt niet voldoet aan de eisen van gebruikers en de maatschappelijke doelen die er zijn.

De complexiteit van de interactie die mensen met jouw dienst hebben, maakt het onmogelijk om alle details volledig te kunnen weten aan de start van je project. Veel van de behoeften en verwachtingen van gebruikers, maar ook van andere stakeholders, komen pas in de loop van het traject naar voren.

Het is een wisselwerking: naarmate makers van diensten steeds beter begrijpen wat hun gebruikers nodig hebben, kunnen ze iets bedenken en maken dat daar hopelijk bij aansluit. Daar kunnen gebruikers vervolgens weer feedback op geven waarop makers de diensten weer kunnen aanpassen.

Elke iteratie geeft steeds beter zicht op je richting en je doel. Foto door Joel Fulgencio via Unsplash.

Is dit gewoon agile werken, of toch niet?

Ja en nee.

De meeste overheidsorganisaties werken inmiddels agile bij het maken van applicaties. Maar agile werken betekent nog niet dat ze daarbij ook mensgericht werken en feedback van gebruikers leidend maken bij verandering.

Daarnaast bestaat het maken van diensten uit meer dan techniek. Het is ontzettend waardevol dat ICT-systemen niet meer op de klassieke waterval manier gebouwd worden en veel flexibeler worden opgezet. Hetzelfde zou moeten gelden voor hoe we beleid maken, voor het invoeren van organisatieprocessen, voor het delen van data tussen organisaties en meer.

Op zich zijn veel ambtenaren best gewend aan het maken van verschillende versies en het verwerken van feedback van collega’s. Beleidsnota’s gaan mailboxen rond en groeien van versie 0.1 tot 0.9. Maar zodra iets versie 1.0 heeft, de nota bij de Stas is geweest, een wet in de Staatscourant staat, dan is het – soort van – af. Als je in een latere fase merkt dat het toch anders had gemoeten, zie dan maar een paar stappen terug te zetten. Daarom moet je beleid en uitvoering tegelijk iteratief ontwikkelen, zodat het ene input aan het andere kan geven en vice versa.

Juist het iteratief oefenen in de praktijk levert veel waardevolle inzichten op. Een voorbeeld van hoe je dat kunt doen, volg ik in mijn promotieonderzoek bij het programma Clustering Rijksincasso.

Wanneer iemand schulden heeft bij meerdere overheidsorganisaties, kan die daar één betalingsregeling voor afspreken bij het CJIB. Aan de achterkant regelt het CJIB welke organisatie welk bedrag vervolgens krijgt. Twee jaar geleden begon deze betalingsregeling met een kleine groep vorderingen van DUO, CJIB en het CAK. Sinds die tijd komen er elk jaar een paar organisaties of typen vorderingen bij.

Een screenprint van de website van het CJIB waar je een betalingsregeling kunt afsluiten. Gemaakt op 19 maart.

Hoewel het jammer is dat niet gelijk iedereen in Nederland voor elk type schuld de regeling kan aanvragen, kan het CJIB nu in de praktijk leren hoe de regeling werkt en wat er aan de achterkant allemaal voor nodig is om de manier waarop de overheid schuld int, te herontwerpen. Ze leren op deze manier in de praktijk hoe ze beleid het beste kunnen bundelen en hoe ze dit steeds meer kunnen uitbreiden met meer vorderingen van andere organisaties. Ze doen gebruiksonderzoek bij mensen die op dit moment gebruikmaken van de regeling en leren waarom mensen een regeling wel of niet volhouden. Die inzichten gebruiken ze om het beleid en de uitvoering van de regeling weer aan te passen. De ervaringen uit de lopende regeling worden ook gebruikt in gesprekken met andere organisaties over hoe zij kunnen aansluiten. Zo groeit de dienst iteratief steeds door.

Iteratief maken of iteratief praten?

Kijk, op zich hebben we bij de overheid best een talent voor iteratief werken. Alleen iteratief werken zonder te maken verzandt in iteratief praten. Steeds opnieuw zaken ter discussie stellen, vanuit verschillende opvattingen, het lijkt soms of projecten niet verder komen.

So many memo’s. Foto door Sear Greyson via Unsplash.

Dat is ook iteratief werken, maar niet wat ik bedoel in dit blog. Juist input uit de praktijk en je idee of ontwerp toetsen met mensen die het gaan gebruiken, helpt je project verder.

De beste manier om dat te doen is om zaken tastbaar te maken. Hoe je dat doet, vertel ik binnenkort in een volgende blog.

Mijn onderzoek doe ik ook iteratief, samen met jullie

Het is voor mij inmiddels een tweede natuur om iteratief te werken. Zo pak ik mijn promotieonderzoek ook aan. Soms word ik er onzeker van: kan ik nu niets zelf bedenken? Ik laat regelmatig versies van artikelen door anderen lezen. Mijn begeleiders bij de universiteit, maar ook lezers van mijn maandelijkse nieuwsbrief, reageren regelmatig op voorlopige inzichten en/of lezen mee. Het betekent daarom ook dat je open en transparant moet werken.

Het is spannend om iets aan een ander te laten zien dat nog niet af is. Je hebt de neiging om er direct honderd dingen bij te vertellen die je nog wilt verbeteren, en je alvast in te dekken, maar waarvoor eigenlijk? Mijn ervaring, zowel met mijn huidige onderzoek als vroeger toen ik voor DUO en de Corona-app gebruiksonderzoek deed, is dat mensen het leuk vinden om feedback te geven, om mee te testen en te helpen bij het samen klaren van de klus.

Hoe begin je?

Begin met het probleem en niet met de oplossing. Wanneer in de Tweede Kamer geroepen wordt dat “Organisatie X ook een app moet hebben,” ja, dan kun je eigenlijk al niet anders. Begin daarom niet met een product of concrete oplossing maar met het goed begrijpen van het probleem en ga uit van de hele ervaring van je doelgroep en niet alleen je eigen organisatie. Betrek gebruikers en bedenk vervolgens samen welke uitkomst je zou willen.

Bijvoorbeeld: het is een probleem dat veel mensen in Nederland schulden hebben en hier niet zelf meer uit komen. De overheid speelt zelf als schuldeiser hier ook een rol in. Hoe kunnen we als overheid dit probleem oplossen door sociaal schuld te innen? De uitkomst: minder mensen in (problematische) schulden door betere dienstverlening! Wat voor dienstverlening… dat ontwerpen we iteratief samen met gebruikers.

En: werk open! Deel je werk, vraag actief input van stakeholders waaronder je gebruikers. Open werken is spannend voor de overheid. Eerder schreef ik deze gids hoe je dit praktisch kunt doen.